dinsdag 29 april 2014

Kuifje in Afrika


Daar sta je dan op het vliegveld van Kigali, in je muskieten-werende afritsbroek en je extra ademende wandelschoenen. Met je DTP, Hep B en Hep A vaccinaties verscholen in je lijf  en de malariatabletten in je rugzak.  In je tropenhemd. Het eerste wat je doet als je de terminal uitstapt, is een zweem DEET om je lijf sproeien. Helemaal niet nodig blijkt, want Kigali ligt hoog boven de muggengrens.

De afstand tussen ergens zijn en er ook onderdeel van uitmaken is nergens zo groot als in Afrika.

Dat je een westerling bent realiseer je je al bij de eerste stap op Afrikaanse bodem door de blikken die je op straat volgen. In je nieuwe tropenoutfit val je natuurlijk ook direct op met je bleke neus. Gek eigenlijk, want ik zag mezelf nooit als een typische Nederlander vanwege een donkere huid en kroezend haar. Zodra je echter in Afrika bent, verdwijnen alle illusies van het niet zo in het westers pulletje passen. Met de reisadviezen, de vaccinaties en veiligheidstrainingen in je bagage ben je ook tot treures toe voorbereid op een reis naar een andere planeet. Daar waan je je dan ook, als een bezoeker van een zusterplaneet met de ruimtehelm nog op, gadegeslagen door de lokale bevolking terwijl je wordt rondgereden in een witte Toyota pick-up shuttle.

Reizend door het land van duizend heuvels ("milles collines") kom je in een wereld die je alleen van tv kent. De groepen kleine kinderen (6-8 groot en oud) die samen in versleten afgedankte kleding ravotten in het veld. De moeders met de manden vol bananen en andere gewassen dragend op het hoofd. De mannen knikkebollend op krukjes voor hun hutjes of juist geagiteerd onderhandelend over de prijs van slachtrijpe kippen op de lokale markt. Kippen die in tientallen op bagegedragers onder elastieke riemen liggen te wachten op hun noodlot. Op de markplaats worden verder matrassen, mobiele telefoons, bananen, kebab en geitenvlees verkocht. Een varkenskadaver ligt half geslacht boven de stoffige stoep in de zon te blinken.

Dat hier twintig jaar geleden de grootste genocide sinds de Holocaust heeft plaatsgevonden merk je als reiziger alleen aan de sfeer onder de mensen. Geen uitbundige Afrikanen zoals we tijdens een WK op de tribunes zien, maar ingetogen Rwandezen die op zachte toon praten. Geen luide muziek. Het is stil in Kigali.

woensdag 16 april 2014

The Sand Creek Massacre


"I saw as soon as the firing began, that there could be no resistance"
Uit: Getuigenis van Edmond Guerrier, overlevende


Iedereen heeft wel eens van “Wounded Knee” gehoord, de gure vlakte in South Dakota waar de Amerikaanse cavalerie in december 1890 ten minste 150 Lakota mannen, vrouwen en kinderen afslachtte nadat deze groep, onder veiligheidsvoorwendselen van datzelfde Amerikaanse leger, kamp had gemaakt voor de winter. Een kwart eeuw eerder had zich echter op de prairie van oost-Colorado al eens een soortgelijke slachting voorgedaan, die lange tijd onderbelicht is gebleven in de officiële Amerikaanse geschiedschrijving en was weggemoffeld in het publieke geheugen.


Aan de oevers van de Sand Creek werden op 29 november 1864 naar schatting 150 Cheyenne en Arapahoe Indianen door een lokale militie van 650 vrijwilligers rücksichtslos over de kling gejaagd. Ze hadden de pech dat hun dorp zich in de nabijheid van een groeiende populatie blanke pioniers bevond. De aanspraken van deze “settlers” op de grond van het Westen bleken voldoende rechtvaardiging voor het uitroeien van een kleine gemeenschap. Het was immers hun “manifest destiny” om dit gebied te koloniseren.


Kolonel John Chivington van het Amerikaanse leger, aanvoerder van de burgermilitie, claimde tot aan zijn dood dat de aanval gerechtvaardigd was: “The first shot is fired by them. The first man who falls is white. No white flag is raised. None of the Indians show signs of peace, but flying to rifle pits already prepared they fight with a desperation unequalled, showing their perfect understanding of the relations that existed as regards peace or war as forty-nine killed and wounded soldiers too plainly testified." Het overvloedige bloedvergieten van de Amerikaanse burgeroorlog dat verder oostwaarts al 3 jaar voortduurde, had van Chivington en zijn vrijwilligers geen pacifisten gemaakt.


De congressionele onderzoekscommissie naar “Sand Creek” gaf de kolonel echter al in januari 1865 een politieke kastijding die zijn carrière in dienst van Washington beëindigde: “(..) Your committee can hardly find fitting terms to describe his conduct. Wearing the uniform of the United States, which should be the emblem of justice and humanity, (..) he deliberately planned and executed a foul and dastardly massacre which would have disgraced the wildest savage among those who were the victims of his cruelty. (..) He took advantage of their inapprehension and defenseless condition to gratify the worst passions that ever cursed the heart of man. It is thought by some that desire for political preferment prompted him to this cowardly act; that he supposed that by pandering to the inflamed passions of an excited population he could recommend himself to their regard and consideration.”


Ironisch genoeg leek Chivingtons veronderstelde streven naar lokaal publiek aanzien aanvankelijk te slagen. Nog in 1887, na 23 jaar van mogelijke bezinning, was de kolonel b.d. eregast in het stadje in Colorado dat naar hem was vernoemd. 8 mijl verderop werd het slagveld van Sand Creek bezocht. De lokale bevolking vond de kritiek op Chivington nog steeds “onrechtvaardige prietpraat van kwade tongen”. De kolonel was in hun ogen juist een heldhaftige wegbereider geweest voor de moderne beschaving in het door Indianen geteisterde Westen. Wat wisten die politici in het verre Washington nu van deze existentiële dreiging waar zij dagelijks mee te maken hadden?


In de 20e eeuw verdween deze gitzwarte bladzijde uit het dikke, inktzwarte boek van de “American - Indian Wars” lange tijd uit het collectieve publieke geheugen. De Amerikaanse overheid moest diep, diep graven totdat uiteindelijk in 1999 (!) archeologen en onderzoekers van de National Park Service de exacte plek van het slagveld vaststelden. In 2007 werd dit een officiële “National Historic Site”, ter nagedachtenis aan de omgekomen Cheyennes en Arapahoes. Pas ruim 140 jaar na dato werd dus een begin gemaakt met een officieel monument voor deze verdwenen geschiedenis. Amerika wordt, net als andere natiestaten, natuurlijk niet graag herinnerd aan grove fouten uit het eigen verleden. Toch kreeg “Wounded Knee” bijvoorbeeld al in 1965 de monumentenstatus.


De “Sand Creek National Historic Site” blijft in meerdere opzichten een monument waarbij kanttekeningen geplaatst kunnen worden. De bereikbaarheid in de “middle of nowhere” (8 mijl onverharde weg door het grote niets) vergt wel bijzonder veel doorzettingsvermogen en bedrevenheid in de kunst van het overleven van de doorsnee toerist. Ook is het tragisch dat de afstammelingen van de getroffen gemeenschap van Native Americans en de National Park Service van mening verschillen over de exacte plek waar de slachting plaatsvond. De stemmen van de voorouders van deze stammen vertellen in de traditie van mondelinge geschiedenis een ander verhaal dan de metaaldetectoren en academische onderzoeksmethoden van de NPS. Wie bepaalt uiteindelijk welk verhaal bij de nationale geschiedenis wordt verteld, een overheid of diens meest betrokken burgers zelf? Een heikele kwestie die voortduurt, zeker in een land waarin de democratie zo hoog in het vaandel staat als de in de V.S. Als gevolg hiervan is het Sand Creek monument zeer karig ingericht om vooral niemand tegen het hoofd te stoten. Hier staan geen torenhoge obelisken of gedenkmuren.


Met kolonel Chivington zelf liep het niet veel beter af. Hij werd persona non grata na Sand Creek en stierf, na een stukgelopen huwelijk met zijn eigen schoondochter, berooid en alleen in Denver. Chivington, Colorado is sinds de Dust Bowl van de jaren ’30 niet meer dan een verwaaid spookstadje. Dit zijn symbolische overwinningen op de geest van Chivington. De geschiedenis en huidige staat van het monument bij Sand Creek kennen echter voorlopig enkel verliezers. Er ligt dus een mooie uitdaging voor de NPS om dat beeld te doen kantelen. Het is de hoogste tijd.

dinsdag 25 maart 2014

Put your hand up, Detroit


When the city of Detroit filed for bankruptcy on July 18, 2013 (the largest municipal bankruptcy ever to occur in the U.S.)the city had endured aeconomic and demographic meltdown that lasted half a centuryAs the city’s population decreased from 1,8 million in 1958 to a mere 710.000 in 2010, an urban wasteland had become a daily reality for those left behindEntire street blocks were first abandoned and then taken over by weeds, decay and stray dogs. Extremely high crime rateswide-spread poverty and urban farming became new realities to the once blossoming Motor city. Detroit had fallen victim to its dependency on a single economic activity, the automotive industry. 



The shortlived hay days 

After Henry Ford started manufacturing affordable cars on the assembly line, the greater Detroit region quickly became the automotive centre of the world. Motor City was one of America’s five richest cities in the 1950’s. GM produced the most cars in the world from 1931 until 2007, consecutively.   

In the second half of the twentieth century, however, foreign competition took over control of the global auto industry. American companies were not very good at innovation and kept selling the same cars each year with only modifying the shape and size of its tail fins. This strategy worked in the short term by encouraging class-conscious American consumers to buy a new model regularly. 
But in the longer term, German and Japanese competitors won by innovating in safety and technology such as fuel efficient engines. Motown sales went downward and the once great GM Company eventually filed for bankruptcy in 2009.

Detroit furthermore suffered from an untenable influx of underpriviliged migrants, mostly African Americans from the South. To top it off, the white tax base fled the city towards the suburbs in the 1950’s. When employment in the automotive industry slowly evaporated, the largely black inner city population with few labor skills was left behind. The vulnerability of this group became reflected in the highest crime rates per capita of any American city. One in three citizens of Detroit now lives in poverty with an income of less than $ 23.000 per year




A contradiction in terms: urban farming.
 
Ruin porn
As a consequence of these developments, thousands of acres of city blocks were being reclaimed by nature. Urban farming is prospering in once thriving (ethnic) neighborhoodsTens of thousands of houses, auto plants, churches and public buildings are dilapidating within the city limits.
One of the symbols of Detroit’s decline is Michigan Central Station, the giant 1913 Communist-style train station that has become an urban ruin of Roman allure. Perhaps it was never a great idea to build an enormous train station in Motor City, but the American passenger train in general lost the commuter's favor in its competition with the car. Thanks to relatively cheap cars and gas and due to a strong, policy influencing lobby in Washington D.C., the last train arrived here in 1989.




Michigan Central Station 

The decline of Detroit has almost no equal in terms of pace and scale. History is being overhauled by time as the city’s population decreases faster than it ever grew. What remains of much of Detroit’s once grandeur, is graffiti filled debris as an echo of greater days past. A tourist attraction like modern day Venice.
 
“How the American dream went wrong in Detroit” :http://youtu.be/lEXLPpr2Rwg

Photo gallery of Detroit's many abandoned buildings: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=10152192370017293&id=6250307292
 

The summit of nuclear insecurity

De Nuclear Security Summit (NSS) die dezer dagen van Den Haag een onbereikbare burcht heeft gemaakt, zou natuurlijk een ideaal doelwit zijn voor de gevreesde nucleaire terroristen. Alle wereldleiders bij elkaar op een halve vierkante kilometer. Met een klap zou de wereldgemeenschap van zijn leiders zijn beroofd. De chaos zou compleet zijn. Toch maar fijn dat er daarom niet alleen op topniveau overlegd wordt om de waarschijnlijkheid van een dergelijke aanval te minimaliseren, maar er tegelijkertijd ook voor ons land ongekende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Obama loopt dus niet de 200 meter van het Museumplein naar het Rijksmuseum nadat hij geland is met zijn presidentiële helicopter, nee, hij neemt "The Beast". Hadden enkele van zijn onfortuinlijke voorgangers, een Kennedy of een Lincoln, maar een beest gehad.

De Amerikaanse president heeft het voortouw genomen om de al dan niet reële dreiging van nucleair terrorisme tegen te gaan. Behalve een veiligheidsissue is dit natuurlijk ook een politieke keuze. Obama profileert zich als "tough on national security" zonder dat de Republikeinen hier iets tegen in kunnen brengen. Want wie is er nu niet tegen (nucleair) terrorisme?

Het leiderschap van de V.S. getuigt echter ook van historisch besef van de eigen verantwoordelijkheid op dit gebied. Niet alleen zijn de Verenigde Staten het enige land ter wereld wereld dat ooit een kernwapen heeft gebruikt tegen een ander land (Japan), de technische ontwikkeling van dit wapenarsenaal vond ook plaats in een Amerikaanse woestijn.

Radioactief toerisme 

Laten we teruggaan naar de kiem van de “Atomic Age”. Op 16 juli 1945 testte het Amerikaanse leger in de witte zandwoestijn van New-Mexico het eerste atoomwapen. De ontwikkelingen volgden elkaar in die zomer van ’45 vervolgens razendsnel op. Slechts drie weken na deze geslaagde “Trinity” test zou  een Amerikaanse plutoniumbom Nagasaki in een inferno veranderen. Hiroshima was enkele dagen eerder met een niet-getest uraniumwapen met de grond gelijk gemaakt. Deze doorbraken in het kernwapenprogramma van de V.S., het zogenaamde “Manhattan Project”, leidden tot het definitieve einde van de Tweede Wereldoorlog. 


“Trinity” was de culminatie van dit programma en is vanwege de vernietigende gevolgen altijd controversieel gebleven. Na de sanering van het meeste radioactieve afval werd in 1965 de exacte plek van de test benoemd tot “National Historic Landmark”. De plaats bleef echter gewoon onderdeel uitmaken van de “White Sand Missile Range”, een onderzoeks- en testbasis van het Amerikaanse leger. 


Vanwege de nationale veiligheid, en de verhoogde radio actieve straling die nog steeds rondom de bomkrater wordt gemeten, is de site slechts twee dagen per jaar voor het grote publiek geopend. Openbare speeches of politieke manifestaties tijdens de open dagen zijn ten strengste verboden. 

De Trinity test site is namelijk een ongemakkelijk monument vanwege de ongekende vernietiging die er het gevolg van was. Toch was het natuurlijk ook een historische prestatie dat de Amerikanen zo'n krachtig wapen wisten te ontwikkelen en de proliferatie van nucleaire kennis zou de wereld in de volgende decennia van Koude Oorlog, mede vormgeven. 


De Trinity test site trekt gemiddeld zo’n 1.000 bezoekers per open dag. Dit zijn veelal toeristen met  een voorliefde voor de populaire cultuur van de Koude Oorlog. In boeken en films blijft dit tijdperk, al nemen we het nucleaire gevaar niet meer zo serieus. In de openingsscène van de laatste Indiana Jones film (“The Kingdom of the Chrystal Skull”) overleeft  Harrison Ford een atoomproef á la Trinity door zich in een koelkast te verstoppen. In plaats van een miljarden verslindende kernwapenwedloop had de Amerikaanse regering dus beter massaal witgoed kunnen uitdelen. Maar dat is achteraf.



Groot en klein leed

Wereldleiders en Hagenaars worstelen 60 jaar na dato nog met de gevolgen van wat er destijds in de woestijn van New-Mexico is gebeurd. Terwijl de regeringshoofden overeenstemming proberen te bereiken over waarborgen van de veiligheid van nucleair materiaal, worstelt de gewone Hagenees met een gekapt bosje in zijn voortuin of een afgesloten rijksweg. (Mogelijk) groot en klein leed liggen niet vaak zo dicht bij elkaar als tijdens de NSS.